Het weten waard?
Zingen op do-re-mi.
Solmisatie
In dit artikel komen de volgende onderwerpen aan de orde :
Het zijn geen gemakkelijke onderwerpen en zal best wel wat vragen kunnen oproepen.
Bij het lezen zult u bepaalde, essentiële onderwerpen herhaald
tegenkomen. Die herhaling betreft dan het onderwerp in een wat
meer uitgebreide vorm.
Om het geen ellenlange bijspijker-cursus in vele afleveringen te laten worden, wordt noodzakelijkerwijs uitgegaan van enige bekendheid met de nootnamen en hun plaats in de muziekbalk. Doeke heeft daarvoor uit het archief enkele bladzijden over enige basiskennis van de noten ter beschikking van de koorleden gesteld. Wie erom vraagt krijgt ze gratis.
Niettemin zal in dit artikel bij het noemen van nootnamen zo veel mogelijk tegelijk de plaats in de muziekbalk in een figuurtje worden getoond. Uw schrijver, die ooit zelf een korte cursus in deze materie heeft gevolgd maar helaas nog steeds grote moeite heeft met de praktische toepassingen ervan, heeft zich gebogen over dit onderwerp van absolute en relatieve toonnamen en het praktische gebruik van de relatieve toonnamen bij zang.
Er zullen ongetwijfeld bij u vele punten van herkenning zijn; in zulke gevallen kunt natuurlijk het betreffende stuk gewoon overslaan omdat het voor u dan ''niets meer te weten waard'' kan zijn.
Aanleiding en doel: de essentie van het verhaal
Hans legt ons veel dingen uit met behulp van het do, re, mi enz
systeem.
Vooral ook om ons te wijzen op kleine foutjes in de zuivere toonhoogte, vooral als we ''op en neer zijn gegaan" .
Hij geeft ons dan steun met behulp van de 'do, re, mi, fa, sol, la, si, do - riedeltjes' of zingt hiermee vaak een toonsprong (interval), b.v. van de 'do' naar de 'fa' voor, om te laten horen dat er nog een kleine onzuiverheid in de gezongen tonen bestond (meestal te laag).
De ' do, re mi ' enz worden ook zangtonen genoemd.
Het is een bekend zangtechnisch probleem dat bij het omhoog gaan met de tonen de hoogste tonen vaak ietsje te weinig hoog worden gezongen, maar daar en tegen bij een reeks tonen naar beneden we ''te veel dalen''.
Het is ook makkelijk verklaarbaar : als de
stemband-spiertjes zich moeten spannen
kost dat energie en we doseren daarom
dan vaak net ietsje' te laag'.
Omgekeerd, naar beneden gaat het om beheerst loslaten van de spanning op stembandspiertjes en dat schiet makkelijk iets ''te ver door" en daardoor komen we te laag uit.
Als zo'n loopje ''op en neer'' meerdere keren in de loop van een stuk optreedt, kan uiteindelijk het koor b.v. ''een halve toon zijn gezakt''.
Het verschil is natuurlijk met de piano erbij heel duidelijk te horen!
Gelukkig trekt het (goede) koor de tonen haast altijd wel weer bij: maar als het (b.v!) bij de sopranen eerder gebeurt dan bij de bassen, dan zingt het koor op dat ogenblik hoorbaar vals. Het mag dus niet gebeuren.
Panis Angelicus is a capella wat dat betreft een testcase.
In de figuur met het begin van Panis staat de 'do' aangegeven.
De laagste toon van de toonladder is de 'do', die de grondtoon wordt genoemd en waarnaar de toonsoort van het muziekstuk ook wordt genoemd.
De plaats ervan in de muziekbalk is afhankelijk van
het aantal kruisen of mollen vooraan de muziekbalk.
Het lijkt in de muziekbalk alsof de toonsafstand
tussen de opeenvolgende noten tussen en op de
lijnen steeds dezelfde toonsafstand is.
Dat is beslist niet zó!
Dat betekent dat, om het direct vanaf de absolute
noten te zingen, we goed op de hoogte
moeten zijn van 'waar is het een halve
en waar is het een hele toon verschil
tussen de tonen óp en tussen de lijntjes.
Die moeilijkheid wordt met behulp van de zangtonen omzeild.
Het is dan een kwestie van de noot herkennen als een zangtoon uit de toonladder.
De toonladder moet dus geheid in het geheugen zitten, zowel omhoog als naar beneden!
Minder goed, maar zeker in het begin wel een aardig steuntje, is de volgende manier. We tellen hoeveel stapjes de te zingen noot in de muziekbalk hoger of lager dan de noot die op de ''do-lijn'' ligt en zingen dan zachtjes die tussenliggende stapjes van de toonladder en vinden zó die gevraagde toon.

In dit woord zit een sol en een mi verwerkt, dat zijn twee namen van zangtonen uit een toonladder.
In de figuur is een voorbeeld te zien hoe de absolute toonnamen zijn
omgezet naar zangtonen, het do-re-mi-riedeltje.
De toonhoogte van de 'do' en de plaats ervan op de notenbalk moeten natuurlijk wel bekend zijn. We zullen later zien hoe we die kunnen vinden.
We kunnen nu zonder hulp van een muziekinstrument zélf de noten op het muziekblad in tonen omzetten en zelfs, na behoorlijke oefening (!), misschien direct van blad zingen zoals Hans dat zo vakkundig kan.
Dát niveau is natuurlijk niet haalbaar binnen een jaar of vijf . . .
In ieder geval valt te verwachten dat het hiervan kennis nemen zal bijdragen tot het makkelijker kunnen volgen van wat Hans ons leert en met ons beoefend.
Uiteindelijk gaan we er zuiverder door zingen en krijgen meer vat op het notenbeeld.
We beginnen met wat algemene, niet zo moeilijke muziekleer.
Absolute toonnamen worden als sinds meer dan 1000 jaar geleden met letters aangegeven c-d-e-f-g-a-b-(c) en hun plaats op de muziekbalk is ook bekend. Als we alle mogelijke tonen van laag naar hoog in een muziekstuk achter elkaar zetten dan ontstaat een toonladder.
In de figuur zijn geen voortekens en daarmee is de laagste
toon van de toonladder de 'c', de 'do' van de toonladder,
waarover later meer.. De c - d - e - f - g - a - b - c vormt de basistoonladder en is
model voor alle (!) zogenaamde majeurtoonsoorten.
De laagste toon wordt de grondtoon of tonica genoemd en vormt in de
regel het begin en het einde - ''het weer thuis komen'' - van het
muziekstuk.
De naam van deze grondtoon is tevens de naam van de
toonsoort waarin het muziekstuk staat.
De toonsoort wordt bepaald door het aantal kruisen of mollen
vooraan de muziekbalk en geeft dus hiermee gelijk de
grondtoon aan.
Majeur
![]()
Majeur wordt ook wel met de toevoeging ''groot'' aangegeven b.v c-groot. Kenmerkend voor zo'n majeurtoonladder zijn de onderlinge toonsafstanden b.v. tussen c en d zit 1 toonsafstand, tussen de e en f een halve toon en zo voorts.
In beeld
c 1 d 1 e ½ f 1 g 1 a 1 b ½ c
De kleine cijfertjes stellen de toonsafstanden tussen de tonen voor.
Mineur
![]()
Ook voor de mineurtoonsoorten is er een basistoonladder namelijk die van a mineur met als toonladder
a 1 b ½ c 1 d 1 e ½ f 1 g 1 a
Herkennen we de verschillen met de majeurtoonladder?
Dat namelijk in de volgorde van de toonsafstanden (o.a) de derde toon ten opzichte van de grondtoon in plaats van twee helen bij majeur, nu anderhalf is geworden?
Dus dat de derde toon bij mineur ten opzichte van de grondtoon een halve toonsafstand lager zal klinken?
Twee helen als toonsafstand vormt samen een grote terts, een hele en een halve samen vormen een kleine terts.
Een ''toonsafstand'' zoals hier boven de terts wordt in dit verband een interval genoemd. Bij een terts betreft het dus een interval van een terts.
In terts zit 'drie', de derde toon, in besloten.
Mineurtoonsoorten worden ook met de toevoeging 'klein' aangegeven, b.v. b-klein zoals ''et in terra pax. . .''
Witte toetsen
De witte toetsen op de piano horen bij de c-majeur en de a-mineur toonladder en dan is er geen enkel kruis of mol vooraan de muziekbalk te vinden. Er zijn dan geen z.g. vaste voortekens, dat zijn de kruisen of mollen aan het begin van elke muziekregel.
De toonsoorten worden benoemd naar de eerste, de laagste toon, de grondtoon of tonica van de toonladder. In de muziekbalk hierboven zijn geen voortekens, dus de toonsoort is c-majeur en de grondtoon is de c en de toonladder is die van c-majeur.

Een kenmerk van - westerse - muziek is dat alle tonen in een muziekstuk als het ware rondom die grondtoon slingeren en dat ze alle in de toonladder passen. Je start er mee en sluit er mee af. Niet álle tonen uit de toonladder behoeven natuurlijk in een muziekstuk voor te komen.
Het zingen op basis van de absolute tonen volgens de noten in de muziekbalk is dermate lastig dat de professionele zangers, aanvankelijk kloosterlingen ten behoeve van de eredienst, een groot deel van hun leven aan studie en oefening daarvan moesten besteden.
Maar één van hen bedacht 10 eeuwen geleden iets revolutionairs waarmee het veel gemakkelijker werd van blad te zingen!
Guido van Arezzo
Guido van Arezzo, een muziektheoreticus, bedacht omstreeks
1000 een onderwijs-systeem die het zingen van de (absolute)
noten op het muziekblad vergemakkelijkt.
Hij ging er van uit dat iedere toonsoort wel is waar een eigen toonladder heeft maar dat ze allemaal hetzelfde patroon in de onderlinge toonsafstanden hebben, dus ongeacht het aantal kruisen of mollen!
En dat patroon zit opgesloten als een model in de basistoonladder van een z.g. toongeslacht zoals majeur of mineur. Het begrip 'toongeslacht' wordt zelden en meestal in theoretische zin gebruikt :in de praktijk van alle dag wordt bij het noemen van een toonsoort gelijk het geslacht mee genoemd, b.v. c-majeur, a-mineur.
Hoe de kruisen en mollen bij de verschillende toonsoorten ontstaan kan later nog eens apart worden behandeld.
Voorlopig is dat niet van belang.
Les Misèrables . . .
Dit feit van vaste patronen geeft voor elk toongeslacht - bijvoorbeeld majeur of mineur - een 'eigen' basistoonladder en dat is nu in het zangtonensysteem het
do-re-mi-fa-sol-la-si-do .
Zo is de ons meest bekende toonladder do-re-mi-enz het model van een majeur toonsoort.
Met Hans hebben we ook wel eens mineur en majeur toonladders op dezelfde grondtoon gezongen.
De mineurtoonladder is met een verlaagde derde toon :
Dat kwam van pas toen we het stuk les Misèrables instudeerden want het beginstuk daarvan bezit de toonsoort F-mineur terwijl het later overgaat in F-majeur, dus de derde toon wordt dan een halfje hoger.
Zie s.v.p. de muziekbalken hierna.
Absolute toonnamen en toonsoorten
Er bestaan absolute toonnamen en daarbij behorende toonhoogten die worden aangegeven met de letters van het alfabet zoals a-b-c enz.
Die naamgeving is al sinds ca 900 in gebruik.
Van zulke absolute tonen staat het aantal trillingen per seconde of de frequentie van de trilling, ook wel het trillingsgetal genoemd, van de toonhoogte precies vast.
We maken b.v. gebruik van een stemfluitjes of stemvork om een voorgeschreven toon bv. de a1 te maken.
De ' 1 ' slaat op de toon a in het eenmaal-gestreepte oktaaf.( = eerste)
Van hieruit kan de dirigent de eerste toon(hoogte) voor elke partij afleiden.
(Zie over de namen en aanduidingen van de oktaven, onze Zangzaad van juni 2000, bladzijde 20).
bv. C-majeur of a-mineur, dat wil zeggen dat er een toonladder bestaat waarop het stuk is gebaseerd en die begint met de c resp. de a, nogmaals een in beeld :
C-majeur : c 1 d 1 e ½ f 1 g 1 a 1 b ½ c
a-mineur : a 1 b ½ c 1 d 1 e ½ f 1 g 1 a
( Ze staan elk model voor alle (!) andere majeur- of mineurtoonsoorten.)
De cijfertjes tussen de tonen stellen de toonsafstanden er tussen voor.
De eerste toon van de toonladder van een muziekstuk is de grondtoon of tonica, in dit geval de c en de a.
Deze twee toonsoorten c-majeur en a-mineur hebben overigens als enige toonsoort geen enkel voorteken - mollen of een kruisen - vooraan de muziekbalk staan.
Op een piano worden deze tonen
weergeven door alle witte toetsen.
De verhoogde en verlaagde toetsen - kruisen of mollen - zijn de zwarte toetsen.
Bij een muziekstuk ''slingert zich het gehele scala van tonen uit de toonladder rondom die grondtoon'' ; het begint er meestal mee en sluit ook het stuk af, als het ware ''weer thuis komen'' : tonaliteit.
Bij een willekeurige toonladder kan het zijn dat er een of meer tonen zijn die ten opzichte van de tonen uit de basistoonladder van c-majeur of a-mineur verhoogd of verlaagd zijn met een halve toon.
Omdat die verhoogde (met een kruisen) of verlaagde tonen (met moltekens) steeds gelden binnen die toonladder waarmee het muziekstuk is gemaakt, zet men uit gemak die kruisen of mollen direct vooraan de muziekbalk : de z,g vaste voortekens.
Deze gelden over alle oktaven totdat er andere voortekens worden gegeven of anders tot het eind van het stuk.
Iedere toonsoort heeft zijn eigen kenmerkende voortekens en heeft dus zijn eigen toonladder.
De toonsoort waarin het stuk staat wordt genoemd naar de absolute naam van de grondtoon, de eerste toon van de toonladder.
Bij voorbeeld : bij 2 kruisen betreft het de (majeur) toonladder van D of de mineur toonladder van b.
De grondtonen, de do's, zijn dus hier d en b.
Basistoonladders
De majeurstoonsafstanden stammen af van de z.g. majeurstamtoonladder af, n.l. die op de grondtoon c :
c-d-e-f-g-a-b-(c)
en hebben de volgende achtereenvolgende toonsafstanden
1-1-½-1-1-1-½
(met 1 = een hele toon, ½ een halve toonsafstand).
In het bijzonder blijkt vaak kenmerkend voor zo'n patroon van opvolgende toonsafstanden, de plaatsen waar de niet-hele toonsafstanden in de toonladder zitten.
In majeur zit 2 maal een halve toonsafstand, namelijk tussen de e en f én tussen de b en c ; dat is tussen de 3de en 4de ( de mi en fa) en tussen de 7de en 8ste toon (de si en do) van de toonladder.
Op de piano kun je dit zien omdat er daar, op die plaats, geen zwarte toets tussen de twee witte zit!
De basistoonladder is de toonladder van c-(majeur) :
c-d-e-f-g-a-b-c
waarin geen verhogingen of verlagingen voorkomen.
De verhogingen van een halve toon(safstand), ook kleine secunde genoemd) door een kruis vlak vóór die noot geeft aan de nootnaam het achtervoegsel '-is' b.v. g wordt gis.
Iets dergelijks geldt ook voor de mol die de toon met een halve verlaagt en waarbij het achtervoegsel '-es' wordt gebruikt, b.v. b wordt bes.
Die kruisen en mollen, de z.g melodische verplaatsings-tekens van een halve toon omhoog (kruis) of een halve toon omlaag (mol) per noot, gelden alléén ná dat teken in dezelfde maat, niet voor andere maten en niet voor alle oktaven.
(Zie de onderstaande muziekbalk met de verhogingen en verlagingen van een halve toon door de kruisen en mollen:)
Er kan ook een set van kruisen of mollen vooraan de muziekbalk staan en dan gelden ze wél voor alle noten met dezelfde naam en over alle oktaven en gedurende alle muziek met die z.g. (vaste) voortekens.
Op de piano, vleugel, keyboard en zo voorts, zijn de toetsen voor de verhoogde of verlaagde toetsen, zwart.

De absolute tonen met hun namen, a-b-c enz, hebben trillingsgetallen, frequenties, die exact voorgeschreven zijn.
Bij het stemmen van een orkest en ook het stemvorkje of stemfluitje van de dirigent geeft (meestal) maar één toon, de a1 aan.
Die trilt op internationale afspraak met exact 440 trillingen per seconde of ook wel het trillingsgetal of de frequentie van 440 trillingen per seconde of 440 Herz (Hz).
In het midden, boven het slot van het deksel van het pianoklavier ligt de z.g. centrale c1 en de a1 ligt 6 witte toetsen hoger, naar rechts, (voor 'ingewijden': het interval is een sext).
Het is merkwaardig dat in de voorgaande eeuwen regelmatig de hoogte van die absolute toon is gewijzigd.
De a' van nu is hopelijk voor de laatste keer in 1939 in Londen definitief vastgelegd.
Voordien werd de a' op 435 trillingen per seconde vastgesteld. En verder in de tijd teruggaand, Parijs 1648, was de a' 374 trillingen per seconde, dat is nu ongeveer de huidige fis, anderhalve toon lager!
Maar in 1361 stond dezelfde a' op 503 trillingen per seconde, dat is ruim een toon hoger!
Het feit dat er op het muziekblad een 'noot'
staat geeft aan dat er een 'toon' moet worden
ingezet, waarbij de vorm van de noot de duur
aangeeft.
Dat wil zeggen bij normaal spelen of zingen, z.g. legato, tonen aan elkaar vast, vloeiend verbonden met weinig ruimte er tussen.
De muziekbalk heeft al vele eeuwen lang vijf horizontale lijntjes. Voordien waren het er maar vier : we kunnen het tegenkomen in de Gregoriaanse muziek, de voorloper van alle hedendaagse, westerse muziek.
Om te voren te
weten welke noot op of tussen die 5 lijntjes van
een notenbalk een bepaalde toon voorstelt, heeft
men in het verre verleden z.g sleutels bedacht.
Je kon en kunt nog steeds daarmee aangeven
welke noot op een bepaald notenbalklijntje staat
en er een naam aan geven b.v. dat is het lijntje
voor de c, of die voor een g enz.
Zo zou je allerlei sleutels kunnen bedenken
maar uit het verleden zijn er voor onze zang
maar twee bruikbare overgebleven : de G-sleutel en de F-sleutel. Soms wordt nog wel in
oude muziek de tenor of C-sleutel gebruikt.
De 'g-lijn' loopt door het midden van de krul van de g-sleutel, de 'f-lijn' gaat door de dikke punt van de f-sleutel.
De g-sleutel die ook vioolsleutel wordt genoemd, wijst op die manier de g1
aan
en de f-sleutel of bassleutel wijst op zijn manier de f aan,
(zonder accent en dus uit het kleine oktaaf), .
Als vooraan ná de sleutel nog een voorteken voorkomt, dan wordt alle noten op de ''sleutellijn'' verhoogd of verlaagd.
De viool- en bassleutel hebben de c' gemeenschappelijk, vandaar dat die ook wel centrale c wordt genoemd.
Bij de vioolsleutel is dat de noot op de eerste hulplijn ónder de balk en bij de bassleutel ligt dezelfde noot op de eerste hulplijn bóven de balk.
Relatieve namen, zangtonen en toonladders
De muziektheoreticus Guido van Arezzo bedacht ten behoeve van het zangonderricht omstreeks 1000 dat je de absolute namen van de tonen van een toonladder niet hoeft te kennen om toch een stuk te kunnen zingen.
Immers, het gaat bij een stuk in een bepaalde toonsoort er om dat je de
toonsprongen volgens het model van de betreffende toonsoort kunt
maken.
En dat majeurmodel is nu onze bekende do-re-mi-fa-sol-la-si-(do) met de toonsafstanden achtereenvolgend 1-1-½-1-1-1-½.
Hij koos voor de namen van de zangtonen uit de relatieve toonladder de groepen van de eerste twee letters van de tekst bij een latijnse hymne gewijd aan de heilige Johannes.
In de loop van de eeuwen is daar regionaal nog wel eens wat aan veranderd, zoals sommigen voor de si de ti schijven : het is niet van wezenlijk belang.
De grondtoon, de laagste toon van de toonladder en het muziekstuk is de do en de absolute naam daarvan gebruiken we als naam voor de toonsoort.
Met bijvoorbeeld (!) één kruis vooraan een stuk is dat stuk in G-majeur en dan is dus de grondtoon de g en gelijk aan de 'do' van de majeurtoon-ladder.
Met andere woorden, die g is onze 'do' van het do-re-mi- riedeltje.
Voor andere majeurtoonsoorten geldt weer precies dezelfde patroon in onderlinge toonsafstanden met voor majeur 1-1-½ -1-1-1-½ .
Er zijn dan steeds andere voortekens afhankelijk op welke toon de toonladder begint.
Maar de do re mi - riedel blijft intact, ongeacht het aantal mollen of kruisen.
Zie Panis . .3 kruisen, dat is in a-groot, de 'do' s zijn alle 'a' s in het stuk.
Hoe gebruik je Guido's systeem dan?
Als nu die ''do'' bekend is zowel naar toonhoogte als naar de
plaats op de notenbalk en je kent de basistoonladder uit je hoofd,
dan kun je leren om direct van de bladmuziek de gewenste juiste
toon ten opzichte van de grondtoon te zingen.
Je beoordeelt op de muziekbalk als het ware hoeveel stapjes de te zingen toon in de toonladder hoger of lager ligt dan de grondtoon en kunt die na enige tijd zonder piano of hulpinstrument zuiver treffen.
Het aanleren van het zangtonen-systeem van Arezzo vraagt veel oefening, maar het principe van deze z.g. relatieve notennamen is eenvoudig.
Vandaar dat Hans voor het zingen van tonen meestal niet de absolute notennamen gebruikt, maar het aangeeft b.v. ''als dit de do is'', hoe klinkt dan de fa, de vierde toon van de toonladder?''.
Ten opzichte van de grondtoon is dat vier stapjes omhoog in de
toonladder. Dus zachtjes in je zelf vanaf de 'do-re-mi-fa' zingen, liever
denken, en dan heb je die toon, hier de -fa-.
Na veel oefening heb je die fa in dit voorbeeld direct als je de grondtoon maar in gedachten houdt.
Het is ook mogelijk gebruik te maken van het makkelijk te onthouden interval 'de kwart' do fa, zoals in het begin van het 'Wil -hel (-mus'), maar het zangtonensysteem is daar niet voor gemaakt : bedoeld en het meest effectief is alles ten opzichte van de grondtoon te denken.
Dus gebruik maken van het muzikale geheugen voor wat de toonladder betreft.
Een 'inzingoefening' om te proberen
Een voorbeeld om te zien hoe het systeem van zangtonen in opzet werkt, staat hieronder.
Natuurlijk mag u het proberen . . .

Een voorbeeld
Een klein voorbeeld om te tonen hoe je te werk moet gaan :
eerst de toonsoort bepalen, dan de absolute noten omzetten in de zangtonen (in het begin ze erbij schrijven) en dan pas de zangtonen zingen!
De absolute noten zijn al omgezet naar zangtonen : de 'do' is de 'c'.

Toonsoort (do-) hulpje
Een hulpje bij het zoeken naar de grondtoon, de 'do' van de toonladder, staat hieronder. Tel het aantal kruisen of mollen en lees af in welke toonsoort het stuk staat.
De C-majeurtoonladder is de basistoonladder en heeft geen voortekens.
De 'do' is gelijk de grondtoon, de laagste toon van de toonladder.
Er staat ook aangeven welke verhogingen of verlagingen erin voorkomen.
Succes !

Met dank aan mevrouw Jos van Vucht, koordirigente en zanglerares te Enumatil